Als Stevie Nicks en Lindsey Buckingham; zo zag ik ons voor me. Even hadden we het, die allure van een geheimzinnig koppel koppige kunstenaars, een publiek stel met hun privéconflicten. Althans, dat hadden we kunnen zijn als we nu geen afscheid van elkaar hadden genomen. We hadden oud kunnen worden, niet samen maar wel verbonden door vage bewijzen van wat we ooit waren. Mijn kleindochter zou een filmrolletje van jou vinden—natuurlijk schoten wij, pretentieuze schrijvers, in de 21e eeuw film van elkaar. Jouw naam zou te vinden zijn voorin mijn boek; die van mij achter in het jouwe. Je krullen zouden worden herkend in gedicht x, de manier waarop je loopt in gedicht y. Een personage in één van jouw korte verhalen zou mijn grote blauwe ogen hebben, mijn bruine haar, ronde kin, en de bobbel op mijn neus. We zouden een mysterie zijn, maar net genoeg sporen van elkaar hebben achtergelaten in ons werk dat de oplettende lezer ons verhaal zou kunnen achterhalen. Ze zouden zich afvragen: wie waren deze twee? Wat had hen samengebracht? En misschien nog wel belangrijker: wat had hen uit elkaar gedreven?
De antwoorden op deze vragen heb ik niet, maar ik vind troost in de wetenschap dat Stevie en Lindsey die antwoorden waarschijnlijk ook niet hebben. Wat had ons samengebracht? Was er iets onderbewust gaande, een hunkerend verlangen de ander te ontleden, elkaars brein open te breken en de neuronen te lezen? Of was het antwoord gewoon Tinder, waren we twee willekeurige mensen die op een willekeurige dag het door elkaars vleeskeuring hadden gehaald, en eindigde daar de diepgang?
Hoewel mijn romantiserende brein liever van de eerste optie uitgaat, was het waarschijnlijk de tweede. Althans, voor jou: je noemde letterlijk het woord ‘vleeskeuring’ toen ik je vroeg waarom je naar rechts had geswipet. Hoe dat me liet voelen even terzijde—ik mag toch niks anders verwachten van een Tindermatch? Voor mij was het anders. Ik bestudeerde je, zoals ik iedereen in mijn leven graag bestudeer. Ik zie je, ik hoor je, heel graag zelfs; en oordeel niet. Ik ben er om je mee te maken, voor hoe lang of kort ik dat ook zou mogen. Hier ben ik vaker alleen in, een eenzijdige romanticus die mensen veel meer liefheeft dan zij haar. En dat is oké. Ik heb gewoon graag lief, en het liefste heel veel.
Afscheid nemen is daarom ook wat intenser voor mij dan voor anderen—ook al kenden we elkaar maar kort; ook al hebben we nooit het kaliber Stevie en Lindsey bereikt. Dat was vroeger al zo: mijn moeder heeft voorafgaand aan een vakantie wel eens gezegd: “Ik weet nu al dat je over een week gaat huilen wanneer je afscheid neemt van mensen die je nu nog niet kent.” En huilen deed ik, natuurlijk. Om jou heb ik niet gehuild. Ergens was ons afscheid te plots om te huilen; ergens zat het er al maanden aan te komen. Ons contact bevond zich altijd op dun ijs—ik weet niet of dat aan jou of aan mij lag, waarschijnlijk was het ons samenspel; de manier waarop we eigenlijk niet echt bij elkaar hoorden—in ieder geval niet langer dan 48 uur—maar deden alsof.
Maar elke 48 uur die we samen hebben gespendeerd was een avontuur. Bij afscheid word je aangeraden de vervelende dingen van iemand te onthouden. Zo heeft Francine Oomen me dat geleerd in de Hoe overleef ik… serie, in ieder geval. Want als je focust op het vervelende, dan is er geen reden voor verdriet, toch? Niets is minder waar. Focussen op iemands tekortkomingen haalt het verdriet om het verlies niet weg—integendeel, het gaat in je systeem zitten als een ziekte. Je kan het dus maar beter meteen gaan voelen zodat je het kwijtraakt. Ik herinner me daarom juist graag alles wat fijn was, hoe pijnlijk dat nu ook is. Hij was interessant, een beetje gek, heel eigenaardig. Met zijn blonde krullen en spitse kin was ‘ie knap, extra knap in het kaarslicht op zijn balkon, extra aantrekkelijk als ‘ie had geblowd, extra mooi na de seks. Hij was grappig zonder er iets voor te hoeven doen, wist hoe hij snel een goed gerecht op tafel moest zetten, had een originele muzieksmaak en ging vooral lekker zijn gang.
Maar bovenal, zoals ik al zei, voelde elke weekend dat we samen spendeerden als een avontuur, en geen weekend was hetzelfde. Dat ga ik het meeste missen: de gestokte adem, de adrenalinerush, de onzekerheid van wat er zou gebeuren. Het was niet veilig, daar was mijn zenuwstelsel van op de hoogte. Maar het avontuur was verslavend.
Ons eerste avontuur was binnen een mum van tijd gepland. Hij bevond zich tijdelijk op een boerderij in Friesland en vroeg me—ja, corny—of ik zijn boerin wilde zijn (we waren niet zo rock en roll als Stevie en Lindsey, bedenk ik me nu, maar toch had het zijn charmes). Een echt veilige manier om af te spreken was het niet, maar je bent jong en je wil wat. Eén weekend lang was ik zijn boerin. Ik was niet zenuwachtig; integendeel—hij had me online een intrigerend bod gedaan en ik keek er erg naar uit om te zien of het in het echt ook zo spannend zou zijn. Het bleek minder spannend dan bijzonder. We waren met zijn tweeën, op een boerderij aan het einde van een straat met andere, leegstaande boerderijen. Voor vierentwintig uur bestond er niemand anders op de wereld, waren wij de enige op aarde samen met de katten, kippen en vissen op wie hij paste. Dit weekend was werkelijk een droom. We luisterden écht goede muziek, gingen slapen voor het donker was—zonder gordijnen—en stonden op voordat de haan kraaide. In de ochtend graaiden we de nog warme eieren uit het veld om scrambled eggs mee te maken, zetten we koffie met de machine die hij van huis had meegebracht en aten we ons ontbijt in ondergoed buiten aan de picknicktafel verwarmd door de al vroeg brandende zomerzon. Alles was anders met hem. En hij was anders, anders dan iedereen die ik ooit heb gekend. Mijn zenuwstelsel draaide overuren maar ik was zo positief geprikkeld dat ik nooit heb gemerkt dat ik die nacht maar vier uur slaap had gepakt. Die zondag toen ik van de boerderij vertrok boeide niks me: niet dat mijn huid leed onder het feit dat ik mijn make-up-remover was vergeten, niet dat ik drie keer tussen Friesland en Groningen ben gereisd omdat ik steeds de verkeerde trein instapte, en niet dat ik dit allemaal in doorweekte zomerkleding heb gedaan door een bui die me verraste onderweg naar het station van Heerenveen. Het weekend was perfect en ik kon er geen genoeg van krijgen. Die week schreef ik mijn eerste gedicht over hem.
Het tweede avontuur was minder exotisch—hoe kon het ook anders—maar niet minder leuk. Sterker nog, hij bleef twee nachtjes slapen want na één etmaal hadden we allebei nog geen genoeg van elkaar. We waren bij mij in Groningen en wederom weer de enigen op aarde: mijn huisgenoot was niet thuis en de stad was verlaten omdat het zomervakantie was. We zaten in mijn raamkozijn, praatten de zonsondergang door, wandelden door de stad, zetten de wekker wederom vroeg en schreven, schreven, schreven. Beide waren we schrijvers en probeerden we een weg te banen in de angstaanjagende schrijverswereld. Een werk van hem was bijna af; ik ging het vertalen. Ik had een kort verhaal geschreven; hij kon feedback verlenen. Dit weekend hadden we onze relatie vastgesteld: we waren business partners with benefits. Toen het bleek dat we beide successen gingen boeken met deze stukken werd mijn visie bekrachtigd: we kwamen steeds meer in de buurt van Stevie en Lindsey. Maandag ging hij naar huis—ik moest naar mijn werk—en later die week appte hij me dat het jammer was dat ‘ie niet de hele week bij mij kon zijn. Hij was duidelijk ook een beetje verliefd op ons geworden.
Date drie was bij hem thuis, in een stad ver van de mijne. Ik vertelde dat ik de zomer miste, het was inmiddels september en dit weekend viel in een bijzonder koude week. Het voelde alsof onze dates plaatsvonden in een ander universum, zei ik, omdat we steeds alleen elkaar hadden. In september was het normale leven echter teruggekeerd. We hadden het druk, waren beide moe, maar toch bleven we het zien—die visie van het geheimzinnige stel dat binnenkort publiekelijk te achterhalen was. De dates waren vanaf nu minder avontuurlijk maar nog steeds enerverend. Dit weekend was ik de eerste twee uur op zijn bank geplant omdat hij nog les moest geven aan huis. Ik zat in de zon met Mary Oliver op mijn schoot en overtuigde mezelf ervan dat dit het OV-bedrag waard was wat ik niet zou hebben betaald als ik ná 12:00u was gekomen. Twee uur later zaten we op het balkon—een prettige vervanging van mijn raamkozijn—en kwamen we er niet meer vandaan tot we gingen slapen. We bespraken onder andere de toekomst en hij zei dat iedereen hem waarschijnlijk is vergeten als hij vijftig is. Ik verzekerde hem ervan dat dat niet zo zal zijn. Ik niet, zei ik, want ik vergeet nooit iemand die ook maar iets voor me heeft betekend. Verbaasd zoog hij aan zijn sigaret.
Date vier was ook bij hem, we gingen naar een poëzielezing in Tivoli. Dit weekend had weer iets meer weg van een avontuur; er leefde iets—wat wisten we beide niet, maar we hadden er vertrouwen in. En dit weekend werd het meer openbaar, niet alleen omdat we ons nu eindelijk onder de mensen begaven, maar ook omdat hij me een kus gaf midden in de zaal. Opeens waren we niet meer met zijn tweeën, iedereen mocht van ons afweten. Die avond zagen we een ex van hem, ze was onderdeel van de line-up. Toen we haar later tegenkwamen in de gang wisselden ze kort oogcontact, zo kort dat het leek alsof ze elkaar niet herkenden. Ik vroeg me af hoeveel schrijvers er voor mij waren geweest, en hoeveel er na mij nog zouden komen. Toch zette ik mijn rooskleurige bril weer op; we waren immers al zo goed op weg onze legacy te verzekeren.
Maar na elkaar een langere periode niet te hebben gezien kwam er toch een einde aan ons contact. Wat had ons uit elkaar gedreven? Hetzelfde als wat Stevie en Lindsey uit elkaar had gedreven: koppige kunstenaars kunnen geen koppel zijn. De afscheid had er niet hoeven zijn, maar het ging zoals het ging—we wisten allebei dat het ooit zo zou eindigen. En daar heb ik vrede mee, want het laatste wat ik ooit zal doen is iemand smeken om in mijn leven te blijven. Maar wat ik zal onthouden is het avontuur, het onzekere, de adrenaline. Gelukkig blijven de herinneringen, het einde van ons contact verandert daar niks aan—voorbijgegaan was het toch al. Dat mogen we vieren, dat we altijd nog de herinneringen hebben, en dat we daarmee mogen doen wat we willen. We mogen ze uit ons geheugen wissen, voor zover dat kan. Maar we mogen ze ook blijven herhalen, duizend keer opnieuw beleven, in bed, met onze ogen dicht, zodat ze op onze harde schijf komen te staan. Dat maakt afscheid toch een beetje makkelijker te verdragen. Even waren we elkaars muze, kleurden we elkaars gedachten roze en fijn. Ik zal je onthouden tot we vijftig zijn, en waarschijnlijk tot heel veel later, maar Lindsey, hier eindigt ons mysterie, en als je me ooit in de gangen van Tivoli tegenkomt: zeg me dan alsjeblieft gedag.
“Time cast a spell on you, but you won’t forget me / I know I could’ve loved you, but you would not let me” – Fleetwood Mac, Silver Springs
