Chappell Roan told me so

De klok slaat kwart voor twaalf het is zo’n ouderwetse klok, een van hout met gouden wijzers

jaren vijftig

dinner parties en gender roles

en mijn keuken zit vast in die klok, muurvast,

ingenesteld als een eicel bevrucht met

pseudo-feminisme

en hij luidt: dit is alles wat je bent.

Ik breng een bord dampend voedsel naar de kamer,

‘meer,’ zegt hij, ‘meer,’

het is een dinner party maar er viert er maar één feest want de klok staat stil het is

kwart voor twaalf ook ’s ochtends als ik ontwaak uit weer een nacht zonder slaap en

’s middags wanneer bezinning binnen handbereik ligt—of toch bijna.

Terug naar de keuken voor een nieuw bord, mijn blote voeten bevriezen

het goedkope kant van mijn proper little wife kostuum snijdt in mijn

razor-burned huid en de fluitketel gilt: er moet toch meer zijn dan dit.

Kwart voor twaalf. De maan bloedt schijn door een kier in het gordijn

op mijn gezicht in de spiegel waarin ik op iemand anders lijk.

Ik kijk naar buiten. Venus doet een dansje om de maan en ik weet zeker dat die twee

vanavond bij elkaar in bed belanden. Zijwel.

Mijn leven is een oxymoron:

mijn scriptie wijd ik aan female rage en noem mezelf een

raging feminist

maar durf de grote wijzer geen minuut te verstellen

it’s all fiction.

En mama fluistert in de spiegel: je kan toch zoveel meer zijn dan ik.

Kwart voor twaalf en de honger slaat ook mij nu toe,

ik sla zijn bord uit handen en

verorber de resten stamppot zuurkool in drie grote happen.

Denkend aan alles wat hij ook had kunnen zijn:

Suikerspin. Kaneelstokjes. Pepermunt,

bubblegum-roze lippen

een honingzoete lach

een keuken voor twee.

Hij had Venus kunnen zijn.

Dansend, dienend, mijn onvoorwaardelijke toewijding

verdienend, Venus—

voor haar zou ik katoenen ondergoed kopen;

kant doet soms zo’n zeer.

Kwart voor twaalf en het laatste kwartier is altijd de zwaarste,

ook voor de maan, vanavond is ze nog afnemend maar morgen,

morgen is ze nieuw.

‘Meer,’bid ik haar toe, ‘meer,’

laat me meer zijn dan dit.